Twee tribunes uitkijkend op een leeg grasveld binnen de Citadel. Meer is er niet, als je de lompen waarmee het speelveld wordt afgezet en een stapeltje ogenschijnlijke zeventiende-eeuwse rommel wat verder naar achteren over het hoofd wilt zien. In deze setting begint het verhaal, waarin een man die we later Pinkie Pieremegochel genoemd horen worden, een enorme boom aan de zijkant van het grasveld water zien geven. “Een beetje water, een beetje zorgen, brengt je bij de dag van morgen.” Een beeldspraak over twijgen die meegeven met de wind leidt uiteindelijk tot de terugblik op zijn tijd bij het theatergezelschap van Quintus Querulinus, en de opkomst uit de verte van een grote kar. Erop de rest van het gezelschap, luid joelend en zwaaiend met een vlag. Een kar die in eerste instantie nog kaal oogt, maar tijdens de voorstelling in stappen transformeert tot een minitheater waar sommige kleine vaste theaters best een beetje jaloers op zouden kunnen zijn.

We maken kennis met het soort show wat ze opvoeren. Een basisverhaal over een held, en een ontsnapping die richting baron von Munchhausen gaat, waarbij de context wordt aangepast aan het publiek. We zien fragmenten uit de show in Spakenburg en Hoevelaken, en hoe het publiek wordt gevlijd en soms wordt uitgedaagd tot het uitgeven van wat extra geld. Na zestig jaar oorlog moet het publiek naar de mond worden gepraat. Het is vooral licht entertainment, met een aantal aanstekelijke liedjes, die simpel maar goed in het gehoor liggen. De muzikale begeleiding doen ze zelf, op onder andere gitaar, krumhorn en mini castagnetten. Maar het belangrijkste is wel het harmonium, dat tijdens deze voorstelling even stuk was, maar net op tijd werd gerepareerd voordat wij als publiek doorhadden dat dit er niet bij hoorde.

We maken kennis met de mensen in het gezelschap. De dominantie Quintus Querulinus, leider en oprichter van het gezelschap en een soort van vaderfiguur met een glad karakter. Knaus is vooral de muzikant – hij bespeelt onder andere het harmonium – waarover we niet veel te weten komen. Miguel is een Spanjaard, en speelt ook vooral die rol. Al moet hij dit zo veel mogelijk doen als een Nederlander die een Spanjaard speelt. De noviteit van het gezelschap is het meespelen van een vrouw, Zus genoemd. Vrouwen op het toneel was immers in deze tijd ongebruikelijk. De verteller blijkt een deserteur uit het Staatse leger, waar de krijgsmoraal sowieso niet zo hoog lag. (De gelijkenis in klank tussen Spaans en Staats gaf me een enkele keer ineens een heel rare vertelling, totdat ik begreep dat ik het verkeerd had verstaan).
Als een bode van de Prins van Oranje, Frederik Hendrik hen opdraagt naar Den Bosch te gaan, dat op dat moment (1629) wordt belegerd, ziet Quinten geen andere mogelijkheid dan te gaan, hoewel optreden voor de prins natuurlijk ook een eer is en mogelijk een stap naar een beroemder bestaan. Als echter gewenst wordt een aantal personen met naam te eren, ontstaat er een enorm probleem, met name bij zus.

Het theatergezelschap is overtuigend als entertainers in hun tijd. Xander van Vledder als Quintus weet je mee terug in de tijd te nemen als leider van het gezelschap en hoofdrolspeler. Miguel is als Spanjaard natuurlijk heel kwetsbaar, en voor Quintus makkelijk te manipuleren. Can Günkan zet dat overtuigend neer. Alexander de Bruijn zet een mooie mix van onzekerheid en ambitie neer, waarbij de eerste zeker in het begin de overhand neemt. Alexander de Bruijn is in deze rol ook de inleider van het verhaal, wat hij goed doet. Als bode moet hij met zijn stem een behoorlijke afstand overbruggen, en daar slaagt hij ook prima in. Kiki Jaski is als Zus zowel een moederfiguur als iemand die weet wat ze wil, en als zodanig een sterke aanwezigheid. De zang wordt door het gehele gezelschap prima verzorgd, zowel in koor als in de solozang. De composities van de fijne songs zijn van Akim Moiseenkov, die ook de rol van Knaus speelt en als zodanig dus veel musiceert.

Opvallend in deze voorstelling is de verandering van toon. Waar de voorstelling start als ongecompliceerd vermaak, wordt deze thematisch zwaar als het dilemma naar boven komt, in hoeverre je je eigen principes en gevoelens overboord moet zetten in je werk. Zeker als duidelijk wordt gemaakt dat al die abstracte termen uit de geschiedenisboekjes als de bevrijding doordrenkt is met bloed en andere ellende. Een tijd waarin jezelf uitspreken ook levensgevaarlijk kon zijn, Het levert een boeiende draai in de voorstelling op, al voelt de weg erheen wat te lang. De benaming humoristische voorstelling voelt ook wat kort door de bocht. De tribunes waarop je zit is niet meer dan twee planken, en zelfs met een meegebracht kussentje is de twee uur die deze voorstelling afgelopen avond duurt wel een uitdaging (officiële speelduur 100 minuten). Dan moet er niet te veel voelen als een herhaling van zetten. Natuurlijk is er wel alle begrip voor die tijd die het uitklappen van het podium kost – het wedstrijdje laten zakken zelfs zeer geestig.

1629, het jaar dat het beleg van Den Bosch plaatsvond, is natuurlijk bijna 400 jaar geleden, dus deze voorstelling kan worden gezien als een mooie inleiding richting de evenementen die in 2029 zullen plaatsvinden. Ook is het zeker niet het eerste en is er in oktober van dit jaar ook al een Festival 400 in Theater aan de Parade en op de Parade, nu nog de hoofdlocatie van het Boulevard Festival).
Komt Dat Zien is nog tot en met 15 augustus te zien in de Citadel. De enige matineevoorstelling is 9 augustus, maar wie kan kiezen doet er beter aan deze in de vallende duisternis te bekijken. De belichting tegen het eind van de voorstelling geeft deze wel extra sfeer.
Scènefoto’s: Casper Koster
Slotapplaus foto’s: Musicalworld
